Home

“Volleybal is een spel dat gespeeld wordt tussen twee teams op een speelveld gescheiden door een net”, luidt de eerste zin in de spelregels van de Nederlandse Volleybalbond, Nevobo. Elk team probeert de bal over het net te spelen en de vloer in het vak van de tegenstander te raken. Als dit lukt, levert dat het team een punt op. Gaat de bal uit of maakt het team een fout, dan krijgt de tegenstander een punt.

Typisch volleybal

Volleybal wordt altijd in sets gespeeld; bij hoeveel punten een team de set wint en hoeveel sets er gespeeld worden in een wedstrijd, verschilt per spelvorm. Er zijn verschillende soorten volleybal ontwikkeld, zodat het spel voor zoveel mogelijk mensen aantrekkelijk is – denk aan beachvolleybal en paravolley (ook wel bekend als zitvolleybal). Kenmerkend voor volleybal is dat de bal niet gevangen mag worden maar met de hand of arm gelijk doorgespeeld wordt, en dat de spelers na elk gescoord punt ‘doordraaien’, dat wil zeggen steeds een positie opschuiven in het veld, met de klok mee. Dat systeem werd trouwens in 1912 ingevoerd. Andere nieuwe regels in de eerste vijfentwintig jaar van het bestaan van de sport waren het invoeren van een vast aantal spelers per team en het afschaffen van het dribbelen, waarbij een speler al hooghoudend mocht lopen met de bal.

Het ontstaan van de sport

Hoewel ten tijde van de Romeinse keizer Gordianus, rond 240 na Christus, al een voorloper van de sport vuistbal beschreven werd waarbij ook een bal over een net in het speelvak van de tegenstander gespeeld moet worden, is volleybal in 1895 bedacht door de Amerikaan William Morgan, sportleider bij de YMCA. Hij wilde een spel ontwikkelen voor de wat oudere leden die iets rustiger was dan het pas ontwikkelde basketbal, combineerde hiervoor elementen van racketsporten en handbal en noemde het mintonette. Nadat het spel werd voorgesteld op een conferentie van YMCA-sportinstructeurs, werd de naam volleybal bedacht, omdat de bal zonder op de grond te stuiteren, dus in een volley, gespeeld moest worden.